Wat een boek is dit….. Ik kon het alleen maar in kleine porties lezen, vijf of tien bladzijden achter elkaar, dan had ik behoefte om het weg te leggen en het gelezene te laten bezinken. Twee ingrediënten maken dit boek tot wat het is. Allereerst natuurlijk de fascinerende hoofdpersoon: Etty Hillesum. Het boek is geen heiligverklaring van deze uitzonderlijke jonge vrouw, maar bevat originele invalshoeken, die een nieuw licht laten vallen op haar en haar moed, haar ‘zelfmoed’, de ‘moed tot zichzelf’, en op hoe die ons nu kan inspireren om beetje bij beetje ook moediger mensen te worden.
Daarnaast word ik ook heel blij van Oegema’s onderzoekende schrijfstijl, die mij op welhaast magische wijze meeneemt. Hij is nergens stellig, maar juist daardoor overtuigt hij me keer op keer, wat een verrukkelijke paradox is dat toch. En voor mij heel relevant, ik heb nog altijd een te grote neiging tot stelligheid, tot willen overtuigen. Dus hij helpt me om ook in mijn eigen schrijven af en toe een toontje lager te zingen (iets waartoe ik al m’n halve leven mensen tracht te verleiden, want in de laagte van de stem is immers draagkracht, fundament te vinden). Diezelfde bescheiden maar niet terughoudende toon trof ik eerde al aan in andere boeken van hem, die ik ook met graagte gelezen heb en waaruit ik trouwens soms ook stukjes gebruikte in studiebijeenkomsten en retraites – met als bekendste voorbeeld het ook heel aanbevelenswaardige De stille stem, waar je hier een aantal citaten uit aantreft.
In de citaten hieronder kan ik slechts hier en daar wat aanstippen. Hopelijk genoeg om je zo nieuwsgierig te maken dat je het boek gaat lezen.
Een van de intrigerende aspecten van Hillesum is hoe ze, zonder een specifieke geloofsrichting aan te hangen, steeds dieper gelovig wordt, terwijl ze zich tezelfdertijd ook steeds meer verbindt met het lijden van het Joodse volk.
God is echt maar echt is iets anders dan waar (…) Een ervaring, eerder dan een persoon of een zaak. (P 27)
‘Het allerdiepste in me, dat ik gemakshalve maar God noem’ (P 103)
Etty Hillesum had ook, zo beschrijft Oegema, de moed om werkelijk leerling te worden. Het gaat dan over ‘discipelschap’ (een woord zo ouderwets dat mijn autocorrectie het niet herkent), waarin je in de ban raakt van een leraar, je overgeeft, dankzij die overgave iets leert of juist afleert waardoor gevoel van eigenwaarde groeit. Dat is geen kleinheid, het vergt juist kracht om je te durven laten leiden.
Socrates stelt dat de grootste opgave voor een naar wijsheid smachtend mens erin bestaat de juiste leraar te vinden, Nietzsche levert daar vierentwintig eeuwen later een subtiele graadmeter bij: je missie is geslaagd zodra je ontdekt dat je de gevondene zonder nadenken wilt gehoorzamen. Waarom? Omdat je diegene meer vertrouwt dan jezelf (…). (P 93)
Hillesum schrijft in haar dagboek, dus niet voor andere ogen bestemd:
‘M’n leven lang heb ik het gevoel gehad: kwam er maar iemand, die me bij de hand nam en die zich met me bemoeide, ik lijk flink en doe alles alleen, maar ik zou me zo verschrikkelijk graag uitleveren.’ (P 94)
Maar het echte discipelschap kent ook een natuurlijk einde, een ’emancipatiefase’:
Leerling maakt zich los van de Meister en articuleert een eigen wereldbeeld, ofwel in een sfeer van begrip en harmonie, ofwel na een periode van conflicten en toenemende vervreemding. (P 96)
In die overgave aan de Meister leert Hillesum ook zich steeds meer overt te gheven aan het leven, het hele leven, precies zoals het zich voordoet. Dat betekent ook: lijden. Ze leed hartstochtelijk mee met alles wat haar volk tijdens de bezetting overkwam, wilde zich er niet aan onttrekken, weigerde om onder te duiken toen ze daarvoor de kans kreeg. Ze wilde ja zeggen tegen het hele leven, inclusief alles waar ze met afgrijzen en verontwaardiging naar keek, want:
‘(…) het hoort bij het leven en het leven is toch schoon en het is ook zinrijk. Het is zelfs zinrijk in z’n zinneloosheid, mits men maar voor álles een plaats inruimt in z’n leven en het héle leven als een eenheid in zich draagt en dan is het toch op de een of andere manier een gesloten geheel. En zodra men onderdelen daarvan wil uitschakelen en niet accepteren en men eigenmachtig en willekeurig dit van het leven wel wil aanvaarden en iets anders niet, ja dàn wordt het inderdaad zinneloos, omdat het niet meer één geheel is en alles willekeurig wordt.' (P 144/145)
‘Je stelt me voor je laatste raadselen, mijn God, ik ben dankbaar dat je me ervoor stelt, ik heb ook de kracht ervoor te staan en te weten dat er geen antwoord is. Men moet jouw raadselen kunnen dragen.’ (P 203)
‘Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je een ding beloven, God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen om de toekomst niet als evenzovele gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost een zekere oefening. Iedere dag heeft aan zichzelf genoeg.’ (P 213)
‘De realiteit is iets, wat men op zich moet nemen, al het lijden, dat er bij komt, al de moeilijkheden, men moet ze op zich nemen en dragen, al dragende vergroot de draagkracht. Maar de voorstelling over het lijden (…) moet men afbreken. En breekt men de voorstellingen af (…) dan bevrijdt men het werkelijke leven in zichzelf en de krachten in zichzelf en dan zal men ook de krachten hebben om het werkelijke lijden, in het eigen leven en in dat van de mensheid, te dragen.’ (P 247)
Dat ‘kleinigheidje’ is natuurlijk een grote les. Je richten op nu, de pijn van nu, de vreugde van nu, de angst van nu, de dankbaarheid van nu, en daar niet de zorgen om de toekomst als ‘gewicht aan te hangen’. Vertaald naar zingen: deze toon nu, in z’n volheid, ongeacht of hij mooi, of rauw, of pijnlijk of wanhopig of zinderend van schoonheid is, deze toon zingen, en je niet bekommeren om wat erna komt. Dat is vrijheid, daar is draagkracht, daar is vreugde.
Een hoofdstuk in het boek is getiteld ‘Practicum zelfmoed’. Dat woord valt veel: de moed tot zichzelf, de moed om alles in zichzelf te willen kennen, te willen zijn. Het hoofdstuk besluit met een aantal tips om moediger te worden die we van Hillesum kunnen leren en die ook in ons zingen heel toepasbaar zijn. Want moed vergt oefening, zo laat Etty Hillesum ons zien. En overgave.
Ollekebolleke 1Het ollekebolleke is een versvorm die werd bedacht door Drs. P, van wie ik een groot fan ben. Hij noemde de dichtvorm naar het gelijknamige kinderversje, vanwege het vrijwel identieke metrum ervan. Het schrijven van een ollekebolleke is een leuk (en verslavend) puzzeltje en als je eruit komt is je dag meteen geslaagd. Dit zijn de voorschriften: het gaat om acht regels, in dat vaste wals-achtige ritme, in twee blokjes van ieder 22 lettergrepen. De eerste twee regels van ieder blokje hebben zes lettergrepen, de andere regels zijn vrijer. De vierde en de achtste regel rijmen. De crux zit bij de zesde regel: die bestaat uit één woord. Van zes lettergrepen, met de hoofdklemtoon op de vierde. Bijkomende voorschriften (waar de doctorandus zich overigens zelf niet altijd aan hield): de eerste regel bevat een uitroep, de tweede regel introduceert het onderwerp (hier: de schrijver). Probeer maar eens uit en onthoud: het gaat niet om de prestatie maar om de pret.
‘Practicum zelfmoed, huh?’
Ja’, zegt Jan Oegema,
‘Ga nou maar oefenen,
Dan komt het goed’
En met de nodige
Hillesumkundigheid
Neemt hij ons mee naar
Steeds net wat meer moed















