Byung-Chul Han – Vita contemplativa
Over niet-doen, vrijheid en vriendelijkheid

'Consumenten zijn eenzaam'

Van m’n uitgever kreeg ik zomaar een boekje toegestuurd van de mij tot dan toe onbekende Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han. Door de wat ernstige Latijnse titel aarzelde ik om het te gaan lezen, ik had geen zin in zware kost. Maar ik ben toch blij dat ik eraan begonnen ben. Het boek is een pleidooi voor het in ere herstellen van inactiviteit, van niet-doen. En ja, daar is in onze wereld veel behoefte aan. Omdat stembevrijding ook enorm gebaat is bij niet-doen laat ik je graag delen in een aantal passages uit dit boek, want ik trof er – naast een aantal voor niet-filosofen moeilijk toegankelijke stukken – allerlei inspirerende en trouwens vaak ook uitbundige zinnen in aan. En tot mijn verrassing ging het ook ineens over de waarde van feesten. Het is geen boek dat je makkelijk wegleest, maar het is uiteindelijk toch geen zware kost.

Intensief leven betekent vandaag de dag vooral meer presteren of meer consumeren. We zijn vergeten dat juist de inactiviteit, waarin niets wordt geproduceerd, een intensieve en glansrijke vorm van leven uitmaakt. (P 10)

Het woord ‘glans’ komt een aantal keren terug in het boek. Dat treft mij wel, omdat dat woord ook zo precies omschrijft wat er kan gebeuren als mensen werkelijk in vrijheid aan het zingen zijn. Ze gaan dan glanzen, stralen, glimmen, gloeien. Als je daar luisterend getuige van bent dan weet je meteen: ja, zo ben jij bedoeld!

In dit glanzen ontstaat er ook direct contact. Dat is een wezenlijke behoefte van ieder mens. Een behoefte die veel te lijden heeft in onze wereld, want:

De ontketende consumptie isoleert en separeert mensen. Consumenten zijn eenzaam. (P 11)

En:

Arbeid en presteren horen thuis in de orde van het overleven. (P 11)

En dan volgt er weer een van die prachtige zinnen:

Het ware geluk is te danken aan het doel- en nutteloze, het bewust omslachtige, het onproductieve, het nemen van omwegen, het buitensporige, het overbodige, de fraaie vormen en gestes die geen nut hebben en nergens toe dienen. (P 14)

Daar smul ik van. Han beschrijft hier eigenlijk ook waarom zingen ons gelukkig kan maken. Het is immers doelloos, nutteloos, omslachtig (praten gaat echt sneller…), onproductief, vol omwegen, overbodig. En hij moedigt ons aan om buitensporig te zijn, wat een fantastisch woord is dat eigenlijk: verlaat het gebaande pad, volg je eigen spoor, want alleen daar valt vervulling te vinden, in de glanzende schoonheid van het waarachtige.

We zien de waarheid pas als we niets actief najagen. (P19)
Pas het zwijgen stelt ons in staat iets ongehoords te zeggen. (P 31)
Zonder tijd, zonder diep adem te halen, blijft alles bij het oude. (P 32)

Op allerlei plaatsen in het boek pleit hij voor het oprecht feestelijke. Daarbij citeert hij Heidegger:

‘Bij het feestelijke hoort de glans. Maar de glans stamt eigenlijk van het stralen en schijnen van het wezenlijke. (…) Bij de glans van het feest horen spel en dans’
Spel en dans zijn helemaal bevrijd van het om-te. Ook de versiering versiert niet iets. (P 66)
De feestelijkheid bevrijdt het menselijk bestaan uit de benauwdheid van doelstelling en handeling, uit de beklemming van bestemming en nut. (P67)

Is dat niet precies wat er gebeurt als een mantra-avond uitbundig eindigt? Daarom kun je dat gerust stembevrijding noemen, want we bevrijden onszelf en elkaar dan van een te grote ernst, we vieren het leven, en kijk, we glanzen!
En dan hebben we wellicht ook dit ervaren:

Herhalingen verdiepen het zijn. (P 74)

Han zegt ook behartigenswaardige dingen over religie. Hij brengt religie graag terug tot waar het in wezen over gaat, voorbij alle dogmatiek.

De huidige crisis van de religie valt niet simpelweg te herleiden tot het feit dat we elk geloof in God hebben verloren of dat we wantrouwig geworden zijn ten aanzien van bepaalde geloofsartikelen. In diepere zin wijst deze crisis erop dat we in toenemende mate het contemplatieve vermogen aan het verliezen zijn. (…) De crisis van de religie is een crisis van aandacht. (P 124/125)
Essentieel voor de religie is niet god, maar het verlangen naar het oneindige, dat in de aanschouwing van het universum in vervulling gaat. 
Het werkwoord voor religie is ‘luisteren’, terwijl ‘handelen’ het werkwoord is voor geschiedenis. Bij het luisteren als inactiviteit verstomt het ik, dat de plek is voor onderscheidingen en afgrenzingen. Het luisterende ik verdiept zich in het geheel, in het onbegrensde, in het oneindige. (P 126)

Tot slot nog een prachtige uitsmijter:

Het woord ‘vrij’ betekent etymologisch onder vrienden zijn. Zowel vrijheid als vriend stammen van de Indo-Germaanse wortel fri, wat liefhebben betekent. Vrijheid is vriendelijkheid. (P 131)

Vrijheid is vriendelijkheid, had jij je dat ooit gerealiseerd? Ik niet. Maar er zit veel waarheid in. Een werkelijk vrij mens straalt vriendelijkheid uit. En omgekeerd, een werkelijk vriendelijk mens leeft in een grote innerlijke vrijheid. Mij wordt natuurlijk met enige regelmaat gevraagd wat stembevrijding eigenlijk is. Dan moet ik altijd weer naar woorden zoeken, want woorden kunnen nooit helemaal beschrijven wat het is. Maar dit lezend zou mijn antwoord zijn: het is de vriendelijkste wijze om je eigen zingen te benaderen. Stembevrijding leert ons namelijk om vrienden te worden met alles wat in ons leeft. Ja, dat kan een heel proces zijn, waarin er veel gebeurt, wat tijd vraagt en geduld. Maar de beloning is navenant: vrijheid, vreugde, ruimte. En wie dat af wil doen als egocentrische navelstaarderij vergist zich, het tegendeel is waar. Want onze wereld is er enorm bij gebaat als jij en ik vrijer, vriendelijker en gelukkiger worden.

Ollekebolleke 1Het ollekebolleke is een versvorm die werd bedacht door Drs. P, van wie ik een groot fan ben. Hij noemde de dichtvorm naar het gelijknamige kinderversje, vanwege het vrijwel identieke metrum ervan. Het schrijven van een ollekebolleke is een leuk (en verslavend) puzzeltje en als je eruit komt is je dag meteen geslaagd. Dit zijn de voorschriften: het gaat om acht regels, in dat vaste wals-achtige ritme, in twee blokjes van ieder 22 lettergrepen. De eerste twee regels van ieder blokje hebben zes lettergrepen, de andere regels zijn vrijer. De vierde en de achtste regel rijmen. De crux zit bij de zesde regel: die bestaat uit één woord. Van zes lettergrepen, met de hoofdklemtoon op de vierde. Bijkomende voorschriften (waar de doctorandus zich overigens zelf niet altijd aan hield): de eerste regel bevat een uitroep, de tweede regel introduceert het onderwerp (hier: de schrijver). Probeer maar eens uit en onthoud: het gaat niet om de prestatie maar om de pret.
Vrijheid is vriendelijk!
Roept Byung-Chul Han ons toe
Kom, geef je over
Aan zang, spel en dans

Meng dat bijtijds met wat 
Contemplativiteit
Niet-doen geeft jou juist
Je stralende glans