John Diamond was een van oorsprong Australische psychiater en kinesioloog, die zich veel heeft beziggehouden met het verband tussen muziek en gezondheid. Hij deed veel onderzoek naar hoe muziek, en vooral zingen, onze levensenergie activeert, en dus ook van groot belang kan zijn als onze energie door welke oorzaak dan ook geblokkeerd is geraakt. Muziek heeft een genezende kracht, schrijft hij. En musici die hun hart openen voor de muziek die ze spelen hebben dus een belangrijke rol te spelen in onze maatschappij.
Het boek bevat een heleboel korte paragrafen over allerlei aspecten van muziek, musiceren en muziektherapie. De schrijfstijl van Diamond doet wat ouderwets aan, maar ja, het gaat ook om eeuwenoude wijsheden…. Hieronder een paar citaten.
Op P 28 citeert hij de 18e-eeuwse Duitse dichter Novalis:
Iedere ziekte is een muzikaal probleem, iedere genezing een muzikale oplossing.
Wat een uitdagende gedachte! Zelfs als we dit maar voor de helft zouden geloven zou muziek een zoveel grotere plek kunnen innemen in onze wereld dan nu het geval is. O, wat zou dat ons als samenleving veel goed doen. En o, wat zouden we dan veel kunnen besparen op onze zorgkosten….
Vijftig procent van alle Amerikaanse mannen haalt de zeventig niet, maar tachtig procent van de dirigenten van die leeftijd is niet alleen nog in leven, maar zelfs actief, ook in zijn beroep. Muziek heeft iets ongelooflijk therapeutisch. (P 28)
De voorgaande zin tovert een glimlach op mijn gelaat. Ik ben nu zeventig…..
Dat iedere vertolker uiteindelijk het versterken van de levensenergie bij zijn luisteraars voor ogen moet houden kan nooit te veel worden benadrukt. (P 37)
Hier staat eigenlijk: musiceren is geven, energie geven, zodat de luisteraar energieker huiswaarts keert. Dat is overigens een win-win-situatie, want werkelijk van harte geven is voor iedere mens een gelukkig makende ervaring. Iets verderop formuleert hij het als volgt:
In plaats van: 'Luister eens hoe goed ik speel. Ben ik niet geniaal?' horen we: 'Luister eens naar de uitstraling van de boodschap die ik op u mag overbrengen.' (P 37)
Ofwel: leer je ego te beteugelen. Wat trouwens een mooi woord is, bedenk ik nu ik het opschrijf. Het ego hoeft niet weg, maar het moet het paard zijn, niet de koetsier. Het ego is ook gewoon bruikbare energie. Wees als musicus dus niet uit op applaus en huldebetuigingen (al is daar allemaal niks mis mee), maar geef je over aan en geniet van je vermogen om met je muziek een ander mens te dienen, gelukkiger te maken, te bemoedigen, te vitaliseren.
Verlang niets meer dan dat de luisteraar zich door uw dienstbaarheid gesterkt voelt.
Verderop in het boek gaat het over genezing.
Wij artsen weten veel over ziekte. We zijn volleerd in de ziekteleer, maar van gezondheid weten we weinig. Dat geldt ook voor mijn specialisme, de psychiatrie. We moesten te weten komen wat een patiënt mankeerde, maar niet waarin het goed met hem ging - we zagen zijn zwakke, maar niet zijn sterke punten. (P 92)
Pas later in zijn loopbaan ging hij zien hoe cruciaal dat is:
Het zijn de sterke kanten van de patiënt die hem helpen genezen. (P 92)
Dat herken ik als stembevrijder. Wie z’n stem (meer en meer) wil bevrijden kan zich maar beter niet te veel bezighouden met wat eraan mankeert om daar dan ijverig aan te gaan schaven. Nee, richt je op wat er al wél is, wat je te zeggen hebt, waar je hart vol van is, richt je op je verlangen om gehoord te worden, of je verlangen om bij te dragen. Zeg dus niet: ‘daar moet ik naar toe’, maar: ‘hier ben ik!’
Dat is overigens niet makkelijk, zelfs niet voor erkende professionals:
Het lijkt misschien vreemd, maar veel schrijvers, kunstenaars, componisten en musici kunnen niet overtuigend zeggen: ‘Hier sta ik’. (P 130)
Ja, het is misschien vreemd, maar ook heel begrijpelijk. Het is namelijk behoorlijk spannend. Zeker als je ‘Hier sta ik’ laat volgen door: ‘Hier zing ik!’
Muziek is de uiting van tegengestelde krachten in ons, de spanning en de ontspanning, en de musicus die op de uiterste rand van zijn kunnen speelt, die alles riskeert voor een optimale weergave van dat spanningsveld, en door zijn overgave altijd de kans loopt fouten te maken, brengt dat nog het beste tot uiting. (P 164)
Ollekebolleke 1Het ollekebolleke is een versvorm die werd bedacht door Drs. P, van wie ik een groot fan ben. Hij noemde de dichtvorm naar het gelijknamige kinderversje, vanwege het vrijwel identieke metrum ervan. Het schrijven van een ollekebolleke is een leuk (en verslavend) puzzeltje en als je eruit komt is je dag meteen geslaagd. Dit zijn de voorschriften: het gaat om acht regels, in dat vaste wals-achtige ritme, in twee blokjes van ieder 22 lettergrepen. De eerste twee regels van ieder blokje hebben zes lettergrepen, de andere regels zijn vrijer. De vierde en de achtste regel rijmen. De crux zit bij de zesde regel: die bestaat uit één woord. Van zes lettergrepen, met de hoofdklemtoon op de vierde. Bijkomende voorschriften (waar de doctorandus zich overigens zelf niet altijd aan hield): de eerste regel bevat een uitroep, de tweede regel introduceert het onderwerp (hier: de schrijver). Probeer maar eens uit en onthoud: het gaat niet om de prestatie maar om de pret.
Wat is gezondheid dan?
Wij, dacht John Diamond,
Weten daar niets van, als arts
(Tot zijn schrik!)
Maar hij ontdekte de
Vitaliserende
Kracht van muziek, dus jawel:
Hier zing ik!















