Tim Fransen: In onze tijd – Leven in het Calamiteitperk
Over het misleidende vooruitgangsdenken en wat de hoop op een betere wereld van ons vraagt

'We zijn pas veilig als iedereen veilig is.'

Als er een nieuw boek van Tim Fransen uitkomt is er bij mij geen twijfel: dat wil ik lezen. Ik ken weinig mensen die zo helder en toegankelijk, zo bewogen én zo humoristisch schrijven over de wereld waarin we leven. Hij is filosoof, psycholoog en cabaretier en wat hij te zeggen heeft is doordacht, slim en heel menselijk. Dit nieuwe boek, in april 2024 uitgekomen, ligt al een paar maanden op mijn bureau omdat ik het wil opnemen in deze rubriek. Maar hier en daar een paar mooie zinnen eruit halen voelt als te onbevredigend. Dus kies ik hier een andere vorm: een paar wat langere passages uit het slothoofdstuk dat gaat over hoop. De rest van het boek zul je dan zelf moeten lezen, nou, doe dat maar, het is de moeite waard.

In het dagelijks taalgebruik gebruiken we hoop en optimisme vaak door elkaar. Maar in de moderne filosofie wordt een belangrijk onderscheid aangebracht. Optimisme hebben we omschreven als de verwachting van een goede uitkomst. Het is daarmee een inschatting van de waarschijnlijkheid: als we iets verwachten betekent dat dat we iets waarschijnlijk achten. Hoop daarentegen gaat niet over de waarschijnlijkheid maar over de mogelijkheid van een goede uitkomst. 
Dat lijkt misschien een subtiel verschil, maar dat is het niet. 
(…)
Hoop gaat niet uit van een bepaalde verwachting, en dus ook niet van de illusie dat we de toekomst kunnen voorspellen. Hoop en onzekerheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als we zeker wisten dat het wel goed zou komen dan hadden we geen hoop meer nodig. (…)
Zoals hoop verbonden is met onzekerheid, zo is onzekerheid verbonden met de noodzaak om te handelen. Juist omdat de toekomst openligt, is handelen nodig. In plaats van een bepaalde uitkomst te verwachten, helpt hoop ons bepaalde uitkomsten mogelijk te maken. Ze horen bij elkaar: hoop inspireert tot handelen, en het handelen voedt onze hoop. (P 312/313)

Eigenlijk kun je dit ervaren en oefenen iedere keer dat je zingt. Laat iedere toon een uiting van hoop zijn, in het erkennen van de onzekerheid over wat de toon teweeg zal brengen. Laat iedere toon je hoop versterken: ja, ik zing, ik laat me horen, ik leef. En neem die hoop weer mee in je leven.

In mijn eerdere boek Het leven als tragikomedie beschreef ik hoe ons bestaan wordt bepaald door een aantal fundamentele tekortkomingen: we zijn kwetsbaar, sterfelijk, en we moeten het stellen zonder duidelijke briefing van wat hier nou eigenlijk precies de bedoeling is. Toch zien we dat doorgaans niet als reden om de handdoek in de ring te gooien. Altijd al leven we, bewust of onbewust, vanuit de overtuiging dat er in de tussentijd iets te redden is. Dat er, tot het noodlot ons uiteindelijk opwacht, iets de moeite waard is om voor te leven. Onze eindigheid is geen reden om een vreugdeloos bestaan te leven, noch een reden om cynisch te worden.
Sterker nog, welbeschouwd kan een betekenisvol leven alleen begrepen worden in het licht van onze eindigheid. Ja, de dood doordrenkt het leven van tragiek, en het besef van mijn sterfelijkheid is uiterst pijnlijk. Maar het alternatief – het eeuwige leven – zou nog veel ondraaglijker zijn. Omdat mijn tijd eindig is, staat er bij al mijn keuzes iets op het spel. Op dezelfde manier zijn de dingen waarom ik geef, en de verantwoordelijkheden die ik op me neem, alleen te begrijpen in het licht van de eindigheid ervan. (…)
De bekommernis van een ouder om zijn of haar kind bijvoorbeeld hangt op de meest fundamentele manier samen met de kwetsbaarheid en de behoeftigheid van dat kind. Als ons kind bij geboorte volmaakt en onschendbaar was geweest, waar zouden we dan met onze liefdevolle zorg naartoe moeten? (P 313/314)
De herinnering aan onze eindigheid is er niet om ons te deprimeren. Maar om ons te inspireren tot een besef van urgentie, nederigheid, prioriteit, dankbaarheid, verwondering en waardering.
Bovendien maakt onze kwetsbaarheid dat we op elkaar zijn aangewezen. In dat gegeven schuilt volgens mij wat beschaving in essentie is: het verzachten van de menselijke conditie. Mocht je dat te pessimistisch in de oren klinken, dan heb ik ook een formulering voor de optimistische medemens: het optillen van de menselijke conditie. Dat optillen doen we door middel van dingen als zorg, troost, rechtvaardigheid en vreugde. (P 315)

Dit klinkt mij in de oren als de ideale zangles. Waarin je leert te zingen met urgentie, en nederigheid en prioriteit en dankbaarheid en verwondering en waardering. En dat dan steeds weer oefenen, omdat het nooit vanzelf zal spreken. Laat je optillen door je muziek, dan til jij de wereld op. En daarmee verspreid je zorg om je heen en troost en rechtvaardigheid en jawel, vreugde!

Het optillen van de menselijke conditie doet een voortdurend beroep op onze inzet en onze morele waarden: op onze moed, onze solidariteit, onze wijsheid.
Het is daarom de hoogste tijd het vooruitgangsgeloof te vervangen door een nieuwe vorm van – collectieve – hoop: een vorm van hoop die voortkomt, niet uit het idee dat beschaving een vanzelfsprekendheid is, maar uit het besef hoe ontzettend kwetsbaar zij is, en die ons de opdracht geeft – en de wil – om ons erover te ontfermen, een hoop die ons aanzet tot het bescheiden heldendom dat democratisch burgerschap heet; een hoop die ons inspireert tot het soort werk dat meer is dan alleen passief en parasitair geld verdienen, werk waarmee we een bijdrage leveren aan het collectieve welzijn en dat ons waardigheid verleent; een hoop die ons laat voelen dat het afdragen van belasting veel minder een last is dan een verworvenheid; een hoop die ons als burgers inspireert om op te staan tegen onrechtvaardigheid, ook als dat onrecht niet direct onszelf raakt; een hoop die ons laat inzien dat we pas veilig zijn als iedereen veilig is; en die ons in dankbare verwondering laat kijken naar onze ziekenhuizen, onze ambulances, onze democratie (…).
In dit alles ligt een vorm van hoop besloten die ons nooit kan worden afgenomen: de mogelijkheid om te kunnen blijven kiezen tussen goed en slecht. Het zijn dat soort keuzes die er in onze tijd alleen maar meer toe zullen doen. (P 318) 

Zo is het.
Dank, Tim.

Ollekebolleke 1Het ollekebolleke is een versvorm die werd bedacht door Drs. P, van wie ik een groot fan ben. Hij noemde de dichtvorm naar het gelijknamige kinderversje, vanwege het vrijwel identieke metrum ervan. Het schrijven van een ollekebolleke is een leuk (en verslavend) puzzeltje en als je eruit komt is je dag meteen geslaagd. Dit zijn de voorschriften: het gaat om acht regels, in dat vaste wals-achtige ritme, in twee blokjes van ieder 22 lettergrepen. De eerste twee regels van ieder blokje hebben zes lettergrepen, de andere regels zijn vrijer. De vierde en de achtste regel rijmen. De crux zit bij de zesde regel: die bestaat uit één woord. Van zes lettergrepen, met de hoofdklemtoon op de vierde. Bijkomende voorschriften (waar de doctorandus zich overigens zelf niet altijd aan hield): de eerste regel bevat een uitroep, de tweede regel introduceert het onderwerp (hier: de schrijver). Probeer maar eens uit en onthoud: het gaat niet om de prestatie maar om de pret.

Leven is eindig, maar,
Zo zegt Tim Fransen ons,
Wees toch maar dankbaar
Dat jij hier nu bent

Doe dus in vreugde je
Calamiteitperkwerk
Want dat is hoopvol
En uiterst urgent