Hans Alma – Het verlangen naar zin
We hebben verhalen nodig, beelden, kunst. En onze eigen expressie.

'Expressie is nooit àf.'

‘Mijn boek’, zo schrijft de filosofe Hans Alma op haar website, ‘wil mensen die zich niet thuis voelen bij levensbeschouwelijke tradities helpen taal en beelden te vinden om toch hun ervaringen van verbondenheid en participatie te kunnen delen met anderen. En het wil mensen die zich wel thuis voelen bij levensbeschouwelijke taal helpen om deze te verrijken en bezielen. Maar bovenal wil het ons helpen een nieuwe manier van omgaan te vinden met de wereld om ons heen. Het is geschreven vanuit zorg om de ecologische crisis. Toch is het een hoopvol boek. Ik put hoop uit ons vermogen tot liefhebben en uit onze verbeeldingskracht die die liefde tot leven kan wekken.’
Ik heb het boek met plezier en herkenning gelezen. Hans Alma schrijft op een aardse wijze over verheven zaken, met veel precisie en gevoel voor taal, en ze schroomt daarbij niet om persoonlijk te worden. Dat inspireert en bemoedigt.

Alma schrijft uitvoerig over expressie. Over hoe expressie van dat wat in ons waar is vraagt om een subtiele taal. En de natuurlijke spanning die bestaat tussen onze behoefte aan geborgenheid en onze nieuwsgierigheid. Dat is goed om je te herinneren als je spanning ervaart, bijvoorbeeld als je gaat zingen. Misschien is die spanning wel een goed teken?

Expressie is geen een-op-een vertaling van wat in ons hoofd al aanwezig is, maar doet iets ontstaan in de interactie tussen onze voorstellingen en de wereld waarin deze werkzaam zouden moeten worden. Expressie is ook nooit àf, er is geen absolute manier om volledig tot uitdrukking te brengen wat in ons leeft. Iedere uitingsvorm is een startpunt voor een nieuwe poging, dat houdt het creatieve proces op gang.(P 72/73)
(…) hoewel ik dat (expressie - jk) als zeer ‘aards’ ervaar, blijft het iets ongrijpbaars, laat het ruimte voor mysterie, en confronteert het me met tegenstrijdigheden die ik niet kan oplossen. Dat ik nu eens de blijdschap ervaar van betrokkenheid op een ander in een creatief proces dat onszelf overstijgt en dan weer de pijn ervaar van het opgesloten zitten in mezelf, is zo’n tegenstrijdigheid waar ik geen controle over heb. Soms beleef ik vreugde aan mijn expressies, andere keren schaam ik me ervoor en voel ik me mislukt of afgewezen. Ik troost me met de gedachte dat geen enkel kunstwerk het definitieve antwoord is op waar een kunstenaar naar zoekt en dat de term ‘kunst’ meer betrekking heeft op het doorgaande proces dan op de enkele poging tot expressie. Dit raakt denk ik aan een fundamentele onzekerheid in ons bestaan, die we niet kunnen weg-organiseren. Ondanks al de geweldige uitdrukkingsvormen die we als mensheid gecreëerd hebben, blijven we feilbare en kwetsbare mensen die in onze expressievormen blootstaan aan een soms onbarmhartige wereld.” (P 73)
We riskeren altijd afwijzing, terwijl we op zoek zijn naar erkenning. (P 74)

Onze omgeving verandert voortdurend. Zelfs onze materiële omgeving, zelfs het meest robuuste bouwwerk. En natuurlijk ons eigen lichaam. We moeten dus volgen, of we willen of niet. We moeten gehoor geven aan wat er gebeurt, we moeten luisteren, ja, gehoorzamen. Is dat onvrij? Ja en nee. Hans Alma vergelijkt het met de vrijheid van de schaker die wel de stukken naar eigen inzicht kan verplaatsen maar niet de regels van het spel kan veranderen. (Iets wat de narcistische mens overigens toch altijd zal proberen, en als hij daarin slaagt is het spel meteen niet meer leuk om te spelen.)

In het boek komt ook het verschijnsel geloven uitvoerig en heel genuanceerd aan bod

Humanisme staat (…) voor het geloof dat we (…) als mensen verschil kunnen maken, niet door ons uit de verstrengeling (met alles wat ons omringt en waar we deel van uitmaken - jk) los te maken en beheersing na te streven, maar juist door in de verwevenheid met wat ons omringt onze menselijke kwaliteiten ten goede aan te wenden. (P 117/118)
Geloven in een groter geheel waarmee we ons zinvol kunnen verbinden, houdt onze hoop levend in een wereld die veel reden tot ongerustheid geeft. (P 170)

Als illustratie gebruikt ze hier de meer dan 800 jaar oude Perzische mythe van de Simoerg, zoals verteld door Farid Ud-Din Attar in De samenspraak van de vogels, een prachtig verhaal over de werkzame combinatie van eigenheid en verbinding, over iets wat groter is dan wij zijn, maar zonder ons niet kan bestaan. Dat verhaal is te uitgebreid om hier op te nemen, maar wel zeer de moeite waard.

Vervolgens beschrijft ze hoe ze ‘niet op een manier kan geloven die in kerken van me gevraagd lijkt te worden. De geloofsbelijdenis is voor mij een onoverkomelijk obstakel. Moet ik me daarom tot de ongelovigen rekenen? Ooit was ik die mening toegedaan.’ Zo heeft ze zelfs ooit gezegd…

(...) dat “ik religieus niet muzikaal ben. Dat was toen een bevrijdende gedachte, maar inmiddels weet ik dat zij niet klopt. Het zijn vooral de teksten bij religieuze muziek die een hindernis vormen voor mijn muzikaliteit. Maar ik weiger die nog langer als maatstaf te nemen. Ik laat mij niet langer opsluiten in categorieën als religieus óf seculier, gelovig óf ongelovig, omdat ik ze niet als passend ervaar. Ze dwingen me me te identificeren met bepaalde overtuigingen (christendom, humanisme, agnosticisme, atheïsme) die er slechts toe leiden dat anderen worden buitengesloten. Ik ben een naar zin verlangend mens en ik laat me daarbij inspireren door beelden en verhalen die te vinden zijn in christendom, humanisme, islam, boeddhisme en de rijkdom aan verhaaltradities die ook daarbuiten te vinden is – een rijkdom die voor de hedendaagse mens toegankelijk is geworden. Ik bén niet gelovig, maar ik kan me geen leven zonder geloven voorstellen. (P 175)

Verhelderend, dit onderscheid tussen gelovig(e) zijn en geloven, het verschil tussen een identiteit en een proces.

Het gaat bij spiritualiteit niet om hooggegrepen idealen van een andere werkelijkheid die perfectie kent. Het gaat om een volgehouden ploeteren in onze dagelijkse praktijken om op een goede manier met elkaar en wat ons omringt om te gaan. Dat is moeilijk genoeg en daarom noem ik spiritualiteit een oefenpraktijk. (P 194)
Hoop heeft iets onverzettelijks en manifesteert zich in daadkrachtig ingrijpen in een situatie die voor ons onacceptabel is. (P 216)
Liefde is een passie voor alles wat levendigheid versterkt. (…) Willen leven en intense levendigheid betekenen ook een ons blootstellen aan wat het leven bedreigt. Wie zich pantsert leeft niet ten volle, wie ten volle leeft zet veel op het spel. Leven gaat met verwonding en pijn gepaard. Liefde is daarom ook compassie met onszelf en de ander in onze kwetsbaarheid. Compassie maakt het ons mogelijk te leven – leven te wíllen – in tegenwoordigheid van het kwaad en de dood. (P 222)
Compassie betekent mijns inziens dat we de ander niet alleen in haar pijn en beperkingen, maar ook in haar mogelijkheden blijven zien. Compassie vraagt onze zorgzame inzet voor de ander als strevend naar zinvol leven. Een dergelijke inzet op levendigheid heeft persoonlijke en maatschappelijke betekenis waar het gaat om respectvol samenleven in een globaliserende wereld, met elkaar en met andere bestaansvormen. Hoe komen we tot een beleid dat niet eenzijdig focust op economische groei, maar waarin de bevordering van leven en levendigheid richtinggevend is?” (P 222)

Ze vindt dat we ons denken over compassie zouden moeten verruimen:

Het gaat niet alleen om lijden mee te ondergaan en weg te nemen, maar ook om de ander weer stem te geven en gezamenlijk vreugde te kunnen beleven aan wat dan verschijnt. (…) En daarmee opent liefde het zicht op transcendentie in haar volheid: niet alleen een naar de ander gericht worden, maar ook het verlangen gezamenlijk te participeren in wat groter is dan wij, in een geheel waarin we ‘slechts’ kunnen geloven en dat we toch als vreugdevolle realiteit kunnen ervaren op momenten van grote verbondenheid met menselijke of niet-menselijke anderen. (P 224)

Ollekebolleke 1Het ollekebolleke is een versvorm die werd bedacht door Drs. P, van wie ik een groot fan ben. Hij noemde de dichtvorm naar het gelijknamige kinderversje, vanwege het vrijwel identieke metrum ervan. Het schrijven van een ollekebolleke is een leuk (en verslavend) puzzeltje en als je eruit komt is je dag meteen geslaagd. Dit zijn de voorschriften: het gaat om acht regels, in dat vaste wals-achtige ritme, in twee blokjes van ieder 22 lettergrepen. De eerste twee regels van ieder blokje hebben zes lettergrepen, de andere regels zijn vrijer. De vierde en de achtste regel rijmen. De crux zit bij de zesde regel: die bestaat uit één woord. Van zes lettergrepen, met de hoofdklemtoon op de vierde. Bijkomende voorschriften (waar de doctorandus zich overigens zelf niet altijd aan hield): de eerste regel bevat een uitroep, de tweede regel introduceert het onderwerp (hier: de schrijver). Probeer maar eens uit en onthoud: het gaat niet om de prestatie maar om de pret.

‘Ik, een gelovige?
Nee!’ sprak Hans Alma ferm
‘Ja, ik geloof wel, 
Maar niet ergens in!’

Dus schrijft ze aards maar toch
Levensbeschouwelijk
En wie het leest 
Krijgt meteen zin in zin